Paaren Tabelle di coniugazione

Il verbo "paaren" si usa principalmente con i significati di "accoppiarsi", "unirsi per la riproduzione" or "abbinare".

Coniugazione di "paaren"

Il verbo "paaren", coniugato nelle diverse persone e tempi:

Persona Präsens Präteritum Perfekt Plusquamperfekt Futur I Futur II
Ichpaarepaartehabe gepaarthatte gepaartwerde paarenwerde gepaart haben
Dupaarstpaartesthast gepaarthattest gepaartwirst paarenwirst gepaart haben
Er / Sie / Espaartpaartehat gepaarthatte gepaartwird paarenwird gepaart haben
Wirpaarenpaartenhaben gepaarthatten gepaartwerden paarenwerden gepaart haben
Ihrpaartpaartethabt gepaarthattet gepaartwerdet paarenwerdet gepaart haben
Sie / siepaarenpaartenhaben gepaarthatten gepaartwerden paarenwerden gepaart haben
Coniugare altri verbi